INTERVENTIONS

Marja van Putten | 15-9 . 13-10-2019

SCHILDERKUNST ALS CONCEPTUELE TAAL

De visie op de westerse kunstgeschiedenis is veranderd. Door de globalisering van de wereld wordt het steeds duidelijker dat ons beeld van de geschiedenis met een beperkte blik op cultuur tot stand is gekomen. In 1990, toen Marja van Putten van de kunstacademie kwam, was het al bekend dat de rol van vrouwen in de kunst niet in de boeken is opgenomen. Dat betekent voor een jonge kunstenaar dat er weinig rolmodellen zijn.

“Ik herinner me een film in die tijd over Camille Claudel, een van de vaak genoemde voorbeelden van een vrouwelijke kunstenaar die in de schaduw van een man (Rodin) stond. In de film werd dat beeld nog even sterk aangezet. In die tijd kwamen er wel geleidelijk meer vrouwen in het museum, b.v. Marléne Dumas, Ansuya Blom.

Verder leek het of er behalve bij de Egyptenaren 4500 jaar geleden nauwelijks iets in andere continenten gebeurde.. Ja, je hebt Hokusai in Japan, na WO2 werd Amerika belangrijker dan Europa, maar wat er in Afrika of Azië gebeurde was lastiger te weten te komen. Er zijn genoeg voorbeelden te vinden die aantonen dat er veel ontbrak in ons Europese wereldbeeld.“

Ook binnen de Europese en Amerikaanse kunst waren er scheidingen tussen wat we nu High en Low art noemen. In de jaren 70 kwam het boek ‘Anders Zien’ van John Berger uit, hij liet zien dat de manier waarop wij de dingen zien, wordt beïnvloed door alles wat we weten en geloven. Met kijken nemen we dingen waar die wij zelf belangrijk vinden, of volgens Berger waarvan onze cultuur ons heeft aangepraat dat ze belangrijk zijn. De geschiedenis van de cultuur die je omgeeft is ook voor een kunstenaar het referentiekader, maar hoe verhoudt zich dat tot het heden?

“Hoe anders was de wereld in 1956 toen ik hier vlakbij in Rotterdam ben geboren. Op de lagere school breiden de meisjes nog sokken en vertelde een leraar over zijn ervaringen met het verkondigen van het Christendom in Nieuw Guinea. Die gesloten wereld is gelukkig helemaal opengebroken en een halve eeuw later bijna verdwenen.”

Met de aangeleerde geschiedenis en een halve eeuw meegemaakte geschiedenis in haar geheugen heeft zij zichzelf de (on)mogelijke opdracht gesteld om iets te doen aan dat misvormde beeld van de geschiedenis. Met name aan de rol van vrouwen in de kunst.

“Ik zoek naar beelden op schilderijen en foto’s die ik kan gebruiken voor mijn schilderijen. Vervolgens zoek ik naar vervormingen en/of andere associaties en maak daar nieuwe beelden van.

Ik combineer verf met textiel en objecten en bij het schilderen varieer ik in vele opzichten, stijl, soorten verf, grof of fijn geschilderd en kleur. Ook inhoudelijk komt het beeld overal vandaan en is het uit alle tijden. Ik zoek niet naar één stijl. De consistentie zit soms meer in het idee erachter dan in het uiterlijke beeld.“

Textiel en textiel gerelateerde zaken, zoals knopen, draden, patronen, behoren tot de wortels van haar werk en zijn in meer of mindere mate materialen om mee te werken. De intimiteit, het schone en zachte van textiel, gebruikt zij vaak in combinatie met het ‘vieze’ van verf. Soms draait zij het juist om: textiel kan je ook grof, ruw gebruiken en fijn schilderen is daar weer tegengesteld aan.

Patronen zijn vaak universeel en worden van cultuur op cultuur overgenomen, ook al zijn er lokale variaties. Het is een taal die zij om die reden graag gebruikt.

Citaat uit de tekst van Trudi van Zadelhoff tijdens de opening

Voor de tentoonstelling Meesterlijke Vrouwen, afgelopen zomer in Schiedam heb ik 10 vrouwelijke kunstenaars uit de eerste helft van de vorige eeuw geselecteerd en die gekoppeld aan eigentijdse talenten. Bijvoorbeeld Lotti van der Gaag aan Maartje Korstanje, Eva Besnyo aan Robin de Puy en Jacoba van Heemskerck aan Nicky Assmann. Ik vind het belangrijk om dergelijke verbanden te leggen. Tussen kunstenaars onderling, tussen de verschillende generaties, tussen het verleden en actualiteit en tussen werken uit diverse collecties

En dat is wat ik ook terugzie in het werk van Marja van Putten

Met aandacht voor haar positie als vrouwelijke kunstenaar. Maar ook voor het zoeken naar verbindingen met het verleden, met kunst, geschiedenis, oosterse en Afrikaanse culturen.

Die nieuwsgierigheid en het zien van de haar omringende wereld als een schatkamer om uit te putten, weerspiegelt in haar werk.

In haar Interventions kijkt Marja terug naar oude schilderijen en foto’s vanuit haar 21ste eeuwse blik. Dat levert spannende dialogen op. Nog meer versterkt door het gebruik van verschillende materialen zoals verf, textiel, knopen en diverse patronen.

Zo verandert Oopjen van een volledig in het strenge zwart geklede 17de eeuwse dame in een sexy vrouw omringd door kleurrijke patronen die zij nooit gezien heeft, maar waarmee ze wel met het heden wordt verbonden.

En wordt het Melkmeisje van Vermeer gekoppeld aan een hedendaagse auto en aan een Middeleeuwse jonkvrouwe (Heloise ?). Back to the future.

Kunst in het middelpunt van de geschiedenis en van de toekomst. Alle lagen, culturen en tijden met elkaar verbindend. Met haar aandacht voor andere tijden en culturen laat Marja zien dat de dominantie van de witte westerse mannelijke blik passé is. Dat de moderne wereld van ons allemaal is, ongeacht afkomst, ras, gender. Dat we uit elkaars bronnen mogen putten wat een verrijking oplevert voor onze beeldtaal. Daarmee zijn de schilderijen van Marja geworteld in het heden, met een blik over de schouder naar het verleden en het hoofd fier vooruit naar de toekomst!